BASF Agricultural Solutions Belgium
Agricultural Solutions

Bladseptoria [Zymoseptoria tritici]

De laatste jaren blijkt dat bladvlekkenziekte naast de noordelijke klimaatstreken ook steeds meer voorkomt in gebieden met een landklimaat. Vroege en zware aantastingen van de schimmel kunnen tot 30 procent opbrengstverliezen veroorzaken. De aantasting treft in principe alleen de bladeren van graanplanten, bladvlekkenziekte laat aren en andere plantendelen vrijwel altijd ongemoeid. De opbrengstderving door een aantasting is het gevolg van verlies aan assimilatiecapaciteit en verstoring van de sink-source verhouding in de plant. Daardoor blijven assimilatieproducten en N-verbindingen, die eigenlijk bestemd zijn voor de korrelvulling, in de bladeren achter. De schimmel veroorzaakt daarom vooral een afname van het duizendkorrelgewicht.

Besmettingsbron

De schimmel kan enkele maanden overleven op stoppelresten op het land. Als de restanten van de graanoogst goed worden ondergewerkt, overleeft de schimmel slechts een korte tijd. Naast ongeslachtelijke pycnidiosporen, die via regenspetters nieuwe planten kunnen infecteren, vormen zich tijdens natte omstandigheden na de oogst op de graanstoppels ook zwarte geslachtelijke pseudotheciën. Deze laten ongeveer vanaf begin oktober hun ascosporen los. Verspreid door de wind kunnen de ascosporen nog in de herfst en winter een opkomend graangewas infecteren. Voor sporulatie van de schimmel op stoppelresten is langdurig veel vocht nodig. Het aantal ascosporen dat vrijkomt, neemt gedurende de herfst geleidelijk toe. Het hoogste niveau van de uitstoot wordt in de winter bereikt en neemt in de loop van het voorjaar duidelijk weer af. Vooral bij een vroege hoge ziektedruk kunnen er gedurende het gehele seizoen ascosporen gevormd worden. De wind kan de ascosporen over een grote afstand verplaatsten en zo in een groot gebied primaire infecties in jonge gewassen veroorzaken.

Infectievoorwaarden

De snelle verspreiding van de septoria-schimmel in een graangewas ontstaat door ongeslachtelijke vermeerdering vruchtlichamen op aangetaste bladeren. Uit deze vruchtlichamen, die steeds donkerder worden, komen de pycnidiosporen tevoorschijn. Voor de sporenvorming, de sporenuitbraak, de verspreiding van de sporen, het verloop van de infectie en de vorming van de bladvlekken zijn grote hoeveelheden neerslag en lange bladnatperioden noodzakelijk. De optimale temperaturen voor de ontwikkeling van bladvlekkenziekte liggen daarbij tussen 15 en 25 °C. Zelfs bij deze temperaturen heeft de schimmel minstens 20 uur nodig om tot een infectie te komen. De infectievoorwaarden zijn gunstiger als bij dezelfde temperaturen een bladnatperiode minimaal 35 uur duurt of als de relatieve luchtvochtigheid meer dan 48 uur achter elkaar hoger is dan 90 procent. Door de kinetische energie van regenspetters kunnen pycnidiosporen worden verplaatst naar naastgelegen en bovenliggende bladetages. Omdat de schimmel ook bij lagere temperaturen vrij agressief is, kan de aantasting zich bij milde winterse omstandigheden al uitbreiden. In Midden-Europa is de incubatietijd ongeveer vier weken. Het betekent dat het vier weken duurt voordat er na een infectie weer ziekteverschijnselen zichtbaar worden. Bladvlekkenziekte is vooral een probleem in gebieden waar gedurende gematigde winters het gewas weliswaar langzaam maar gestaag groeit. De gevoeligheid voor de ziekte is per ras duidelijk verschillend. Op minder gevoelige rassen vormt de schimmel meestal minder vruchtlichamen en ook de bladvlekken zijn vaak kleiner.

Aantastingsbeeld

De schimmel Mycosphaerella graminicola komt vooral voor op bladeren en in minder mate ook op stengels en bladscheden. Op de bladeren vormen zich achtereenvolgens lichtgroene, naar geel en later bruin verkleurende ronde tot ovaalvormige bladvlekken. Deze vlekken lopen naar verloop van tijd onregelmatig in elkaar over. Uiteindelijk sterven de bladeren af en verdrogen. In de bladvlekken van Mycosphaerella graminicola zijn de in rijen gerangschikte zwarte vruchtlichamen (dragers van de pycnidiosporen) met het blote oog zichtbaar, de aangetaste bladeren zien er daardoor gespikkeld uit. De eerste vruchtlichamen ontstaan al in het vergeelde bladweefsel. Onder een loep bekeken zien de vruchtlichamen er eerst lichtbruin uit, later verkleuren ze naar zwart met lichte openingen. In vergelijking met Lepthosphaeria nodorum zijn de vruchtlichamen van Mycosphaerella graminicola iets kleiner, donkerder en ovaal-vormig. Na bevochtiging komt er wit sporenslijm vrij.

Vergelijkbare schadebeelden

Vaak komen op tarwebladeren gelijktijdig zowel Mycosphaerella graminicola als Lepthosphaeria nodorum voor. Lepthosphaeria nodorum infecteert vooral de bladoksels. Een duidelijk verschil tussen beide schimmels is de kleur van de vruchtlichamen. Die van Lepthosphaeria nodorum zijn honingkleurig tot roodachtig bruin. Terwijl de vruchtlichamen van Mycosphaerella graminicola in het begin een zwarte rand laten zien en later volledig zwart verkleuren. Een aantasting veroorzaakt door DTR uit zich in een bladnecrose die ook vergelijkbaar is met septoria. Met een loep is echter te zien dat bij DTR in de helder bruine bladvlekken de zwarte vruchtlichamen duidelijk alleen staan.

Bestrijding

Preventieve teeltmaatregelen

  • Stro- en stoppelresten goed onderploegen, vanwege de verspreiding van ascosporen door de wind is het belangrijk dat dit in de wijde omgeving gebeurt.
  • Door laat te zaaien is de kans kleiner dat ascosporen in het najaar het tarwegewas al infecteren.
  • Minder gevoelige rassen telen.
  • Rassen met kortstro zijn gevoeliger voor aantastingen omdat de afstand die de sporen naar boven moeten afleggen minder groot is.
Toepassing van fungiciden Op tijd beginnen met de bestrijding is bij bladvekkenziekte enorm belangrijk. Doordat deze schimmel steeds minder gevoelig is voor strobilurinen moet voor de bestrijding gekozen worden voor een uitgebalanceerd combinatieproduct als een triazool/carboxyanilide- of triazool/strobilurine-mix. Het beste resultaat wordt bereikt als een dergelijke combinatie kort voor een infectie gespoten wordt. Vooral bij verlaagde doseringen onder curatieve omstandigheden wordt de triazool in de mix (te) zwaar belast. Uit resistentieoogpunt is dat niet wenselijk.

Top